Lucas en het doodloos meisje

Op donderdagavond om 22u bevond Lucas zich op het perron van station Zuid in Antwerpen. Die avond zorgde de sneeuw voor een glinsterend panorama. Vergezeld door zijn schaduw keek hij voor zich uit, het winters tafereel beviel hem niet. Zijn zicht strak op het niets. De wijzers van zijn horloge stonden stil. Een zegen, want nu kon hij in alle rust wachten op de volgende trein. Zonder enige afleiding, met een hoofd dat op ontploffen stond.

Met zijn blik nog steeds op de donkerte gefixeerd, dwarrelden sneeuwvlokjes om zijn hoofd. Plots zag Lucas een kleine gestalte in zijn ooghoek naderen op het perron aan de overkant. Een blondharig meisje met grote ogen, gekleed in een bloemenjurkje huppelde vrolijk. Ze merkte Lucas op en hield halt recht tegenover hem. Het meisje deed mee met de ongeplande staarwedstrijd. Er verscheen een grijns op haar gezicht. Lucas voelde zich er wat onwennig bij, toch had het iets vertrouwds. Ze zwaaide. Alsof er aan touwtjes werd getrokken, hief hij zijn arm op en zwaaide terug. Beiden lieten synchroon hun armen weer zakken. Plots week haar blik af en klauterde ze van het perron, het treinspoor op. Even dartel als ervoor stak ze de rails over. In een mum van tijd stond ze naast de verbijsterde Lucas. Er was iets vreemds aan de kleine gedaante. Het contrast kon niet groter, een spierwitte huid en pikzwarte ogen. Ze stak haar hand uit, zonder nadenken ging de jongeman in op het verzoek. Het geluid van een naderende trein kwam dichterbij, metaal op metaal. Lucas zette een grote stap naar de rand van het perron, maar het meisje trok hem terug. Net op het nippertje konden ze nog ontsnappen aan een tragisch tafereel.

De trein zoefde voorbij, een stevige wind gierde door de haren en het hoofd van Lucas. Al zijn zorgen werden mee weggeblazen. Het meisje deed teken om haar te volgen. Lucas aarzelde, keek even achterom naar het treinspoor waar hij nu aan flarden moest liggen en besloot om haar achterna te gaan. Lucas kon zijn ogen niet van haar afhouden. ‘Wie is dit meisje?’, dacht hij steeds bij zichzelf. Hand in hand liepen ze het slechtverlichte perron af. De stalen roltrap die naar boven leidde, was afgesloten. God zal hen sowieso toch niet opwachten met een kommetje rijstpap en een gouden lepel. Het duo nam de trap die uitkwam op de Kolonel Silvertopstraat.

Het leek wel alsof Lucas een lijk aanraakte, nu pas merkte hij hoe koud haar huid aanvoelde. Ze had ook enkel een zomerkleedje aan. ‘Zou ik haar mijn jas geven?’, dacht de verwarde kerel. Hij had het zelf koud, dus besloot hij om zijn enige warmtebron voor zichzelf te houden.

De sneeuw kraakte onder zijn voeten, hij hoorde maar één paar voetstappen. Hij keek naar beneden en schrok. Het meisje liet geen sporen achter in het witte oppervlak. ‘Hoe heb ik dat over het hoofd gezien?’ Hij verstarde, het wit werd verstoord door knalrode druppels die in de sneeuw verdwenen alsof ze door vloeipapier werden opgezogen. Sneeuwvlokjes als sterretjes in de lucht en bloed als rode sterren in het winters tapijt. Eens Lucas dit had opgemerkt, was zijn aandacht hierop gefixeerd. Het gestage druppelen van het bloed bracht hem op de een of andere manier tot rust. De rode vloeistof droop van de vingers van het meisje. Een lange grote wonde gaapte aan de binnenkant van haar arm tot aan haar hand. Opengereten vel. Zo diep in het vlees dat hij zelfs haar beenderen zag.

Zonder waarschuwing stopte het schepsel in het midden van een kruispunt. Zo laat ’s avonds reden er minder auto’s, maar toch was het nog vrij druk op de baan. Lucas struikelde door een put in het asfalt vlak voor hij tot stilstand kwam. Een auto deed hem opschrikken, de claxon was oorverdovend. Het meisje gaf geen kik. Het gevaarte schuurde langs Lucas’ rug. Hij viel bijna voorover en wou zich aan haar vastklampen, maar ze zette een stap opzij. Het leek erop dat ze wou dat hij op de grond terechtkwam. Ze bekeek hem met een gemene blik. Ze lachte hem uit. Hij moest er eigenlijk ook om lachen. Met beide voeten weer stevig op het asfalt, keek Lucas in het rond. De wolken lieten geen licht toe. Geen fonkelende sterren te zien, geen maan die even kwam piepen door het wolkendek. De enige verlichting was die van de half-slapende stad. Mensen zouden geen weet hebben van wat er zich op dat moment afspeelde in de late uurtjes op ’t Zuid. Er waren maar enkele voorbijgangers die een paar seconden naar hen gluurden, maar die waren al even snel weg als ze gekomen waren.

Met een snok aan zijn arm werd Lucas uit zijn gedachten gehaald. Het naamloze kind sleurde hem van de baan en liep richting het Justitiepaleis. Lucas had het nu wel erg koud. Zijn voeten, in een paar sneakers geperst, waren gevoelloos. Zijn vochtige haren bevroren in de ijzige wind en de kilte sneed door zijn kleren waardoor zijn huid leek te barsten. De kans was groot dat zijn temperatuur lager lag dan die van het doodloos meisje. Aan hun wandeling scheen geen einde te komen. Ze gingen straat in, straat uit, zonder te beseffen waar ze naartoe gingen. Lucas kreeg er opeens genoeg van en nam het heft in handen. Hij gidste het levende lijk door Antwerpen.

Er was niet meer zoveel verkeer. Daarnet zagen ze nog tientallen auto’s voorbij razen, maar die waren allemaal verdwenen. Nog één keer werd de nachtelijke stilte verstoord door blikken monsters die om de paar minuten een vreselijk geluid uitstootten. Lucas en het meisje hadden nog geen woord gewisseld. Zwijgzaam zwierven ze rond.

Lucas liep nog altijd hand in hand met het meisje toen hij zich plots realiseerde dat hij de grond niet meer voelde onder zijn zolen. Hij keek naar beneden en zag dat ze een paar meter hoog boven de grond zweefden. Ze stapten zonder enige moeite in de lucht alsof ze op de begane grond liepen. Lucas had zich nog nooit zo goed gevoeld. Zonder zwaartekracht werden de mogelijkheden oneindig. Dit voelde voor hem aan als pure vrijheid. Onder hen vormde zich een omgekeerde sterrenhemel van lantaarnpalen die zich verder en verder van hen verwijderde. In de lucht had Lucas een beter overzicht van de stad. Zoveel plekjes die hij al had bezocht en zoveel ongekende geheimen die hij nog moest ontdekken.

In de verte schenen de lichten onder de standbeelden op het gebouw van het Museum van Schone Kunsten. Op elke hoek hielden de gedaantes triomfantelijk de wacht. Door weer en wind vloog Lucas naar het museum, de trots van Antwerpen. Een diamant waar hij al als kind had van mogen meegenieten. De groen grasveld uitziende fontein voor het museum barstte bijna uit haar voegen. Zeker een foutje in het systeem, want met dit weer zou die normaal gezien zelfs niet aan staan. Om zichzelf en het meisje uit te dagen landde hij midden in de plas, vlak naast de donkere spleet in het midden, een afgrond die naar hen gaapte. Lucas vond het ineens een geweldig idee om zich neer te vlijen in het troebele water. Hij bewoog zijn ledematen zoals je een sneeuwengel maakt. Het engeltje van de dood naast hem observeerde nauwgezet elke handeling die hij verrichtte. Lucas stoorde zich er niet aan. Haar aanwezigheid was voor hem al even leeg als wanneer hij alleen zou zijn.

Lucas wou iets anders uitproberen. Iets wat hij nog nooit had gedaan. Hij deed teken naar zijn compagnon om hem te volgen, sprong en vloog naar het dak van het museum. De gevleugelde paarden baadden uitnodigend in het kunstmatig licht van het complex. In een mum van tijd klom hij op de rug van het paard op de linkerhoek. Blijkbaar was hij ingehaald door het meisje, want zij zat er al. ‘Kan zij nu ook al teleporteren?’, dacht hij verbaasd. Daar kon hij alleen maar van dromen, die superkracht bezat hij niet. Het beeld kraakte en kwam los van zijn plek waar het al jaren vastgespijkerd zat. Het trio dook van het dak en smakte bijna tegen de grond. De gevleugelde Pegasus redde hen nog net van de verplettering en vloog weg van het museum, het plein, de fontein met de onheilspellende spleet, op naar het onbekende.

Met natte kleren om zijn lijf gewikkeld, klampte Lucas zich vast aan het meisje, die op haar beurt naar de stenen manen van het paard greep. Op gezwinde poten galoppeerde het vliegend paard boven de witte daken. De stof rond het lijf van Lucas verhardde. De kilte kreeg hem te pakken en hij verstijfde. Het wilde dier steigerde en het meisje liet alles los. De twee cirkelden in de lucht en vielen dan met een enorme snelheid naar beneden, als twee gevallen engelen.

Met een klap kwamen ze terecht naast het koivijvertje van Den Botaniek. De arm van het meisje dreef in de plas en het water begon rood te kleuren. Als piranha’s hapten de diertjes naar het loskomend rot vlees. Lucas stond ervan versteld hoe achteloos zijn metgezel reageerde. Hij besloot om mee te doen. Zijn ijskoude vingers raakten het wateroppervlak. Hij streek met zijn handpalm over zijn verstoorde reflectie. Uitpuilende ogen keken terug. En het meisje? Haar evenbeeld was afwezig. Als Lucas de weerspiegeling moest geloven, zou hij alleen zijn in het eeuwenoude romantische achtertuintje.

Hij keek weer op. Het aangezicht zoog hem op. De twee holtes in het breekbare gezichtje werkten als zwarte gaten die hem opzogen uit de werkelijkheid van zijn bestaan. Lucas werd niet enkel door haar blik verzwolgen, ook zakte hij dieper en dieper in de aarde naast het vijvertje. Het gras en het zand voelden wak aan. De modder verorberde eerst de benen van Lucas en langzaam zonk hij tot aan zijn kruin. Iets trok hem verder naar beneden. Lucas voelde een handgreep rond zijn enkel. Door een tekort aan zuurstof hapte Lucas tevergeefs naar frisse lucht, het enige dat hij binnenkreeg was het bruine goedje waar hij in gekneld zat. Hij probeerde zich los te wringen, maar de dwingende klauw liet dit niet toe.

Er suisde iets uit de lucht. Met een dreun kwam een grote stenen blok terecht op de plek waar Lucas net was verdwenen. Een merkteken van zijn ondergang. Het meisje zat nog steeds naast het vijvertje. Met een hamer en een beiteltje in de hand kerfde ze iets in het neergevallen gesteente.

‘Ik ben niet wie ik zou willen zijn, toch sleur ik zielen met alle plezier mee in mijn miserie voor mijn eigen vertier.’

Een nietszeggende zin die wees op krankzinnigheid. Voor eeuwig gekerfd in het gedenkteken van de verdwenen kerel.

De hopeloze Lucas zocht nog steeds naar een manier om terug naar de wereld van de levenden te geraken. Hij graaide in het rond. Het zand kroop onder zijn nagels. Volledig gedesoriënteerd groef Lucas een tunnel die leidde naar nergens. Uren gingen voorbij. Het leek erop dat Lucas zichzelf alleen maar een groter graf groef. ‘Waaraan heb ik dit verdiend?’, schreeuwde hij in zichzelf.

Het dode woordeloze wezentje boven de grond gooide de werktuigen bij de hongerige vissen in de plas. Ze kwam overeind en danste levendig rond de steen. Van Lucas was geen teken meer.

____________________

De trein vertraagde en kwam krijsend tot stilstand. Achter de laatste wagon kleurden de sporen rood. Een sinistere stilte heerste over het treinstation. Enkel de dood was te horen. En die was zo oorverdovend stil. Sneeuw veranderde in regen. Er vielen grote vette druppels uit de lucht, die alles direct nat maakten. De dartelende vlokjes die een toverachtige sfeer met zich meebrachten, werden vervangen door een somberheid, een groot verdriet, ontroostbaarheid. De enige toeschouwer zat neer op een bankje op het ander perron. Haar benen zwierden heen en weer en ze wiebelde van links naar rechts. Ze was opgewonden en moest zich inhouden om niet te applaudisseren. Zo trots op haar eigen werk. Zelfvoldaan stond ze recht en wankelde naar het verminkte hoopje vlees en bloed. Lucas had zijn laatste zucht verloren in de chaos onder de trein die hij, zo bleek, niet gemist had. Hij was zelfs te vroeg. De metalen slang had hem te grazen genomen, verorberd en verteerd. Zijn holle ogen staarden in het niets. Er bleef amper iets over van de knappe jongen. Hij was onherkenbaar.

En het witte licht? Dat ging mee met de ijzige wind, op zoek naar haar volgende slachtoffer.

Aarde – ik bedoel, Amen.

Wil je dat anderen dit ook lezen? Deel!

Zeen is a next generation WordPress theme. It’s powerful, beautifully designed and comes with everything you need to engage your visitors and increase conversions.

More Stories
jain tempel
Jainisme in Antwerpen (PITCH)