Het Razor Reel Flanders Film Fest opende op 29 oktober zijn negentiende editie in Brugge. Tot 7 november staan horrorfilms, sciencefiction en andere fantastische films centraal. Oprichter Patrick Van Hauwaert vertelt waarom het festival bewust buiten de gebaande filmpaden zoekt en welke uitdagingen daarbij komen kijken.
Hoe is genrecinema, zoals horror, sciencefiction en fantasy, geëvolueerd en hoe weerspiegelt zich dat in de huidige editie?
“Er is enorm veel veranderd. Toen we begonnen, was de invloed van de jaren tachtig nog sterk voelbaar. In films kon en mocht veel meer. Daarna volgde een periode waarin alles aan steeds meer voorwaarden moest voldoen. Nu zien we opnieuw een lichte terugkeer naar die vrijere cinema. Ook de programmering verandert voortdurend. Dit jaar hebben we opvallend meer horrorfilms dan gewoonlijk, terwijl we normaal ook veel thrillers, sciencefiction en zwarte komedies vertonen. Vorig jaar waren er bijvoorbeeld veel films over artificiële intelligentie, maar dat onderwerp komt nu veel minder aan bod. Een echte overkoepelende trend zien we dit jaar niet.”
Waarom krijgt Aziatische cinema dit jaar zoveel aandacht?
“Dit jaar vieren België en Japan 160 jaar diplomatieke betrekkingen. Dat vormde voor ons de aanleiding om Japanse cinema extra aandacht te geven. Aziatische films zijn daarnaast interessant omdat ze vaak vertrekken vanuit een andere mythologie. Wij kennen Dracula en Frankenstein, maar in Azië bestaan heel andere geesten en volksverhalen. Ook de angsten verschillen door de manier waarop mensen leven. Dat levert films op die je niet dagelijks in de multiplexbioscoop ziet.”
Wat vertelt genrecinema over de maatschappelijke angsten van vandaag?
“Horror weerspiegelt, net als andere filmgenres, wat er leeft in de maatschappij. Vroeger draaide het vooral om entertainment, maar tegenwoordig kunnen filmmakers met relatief weinig middelen hun eigen boodschap overbrengen. We zien thema’s zoals ecologie, mensenrechten en artificiële intelligentie terugkomen. Die angsten bestonden vroeger ook al, maar zijn veranderd. Vijftig jaar geleden vreesden we bijvoorbeeld een ecologische ramp. Vandaag lijkt die werkelijkheid steeds dichterbij te komen.”
Hoe selecteren jullie de films voor het festival?
“Met verschillende mensen bekijken we welke films in aanmerking komen voor het festival. Daarna begint het moeilijkste deel: het verkrijgen van de vertoningsrechten. Soms zijn die al verkocht aan een distributeur of krijgen we simpelweg geen toestemming. Bovendien lopen de kosten soms op tot 1.200 à 1.500 euro voor één vertoning. Voor een klein festival als het onze is dat niet haalbaar. Zo moeten we helaas regelmatig films laten vallen die we heel graag hadden geprogrammeerd.”
Waarom openen jullie het festival met de horrorfilm Colony van de Zuid-Koreaanse regisseur Yeon Sang-ho?
“Een openingsfilm moet toegankelijk zijn voor een breed publiek, maar ook een grote naam hebben. Je kunt op zo’n avond niet zomaar met een B-film afkomen. Colony is een sterke film van een regisseur die zich al bewezen heeft. Ook onze slotfilm Ghost in the Shell, van de Japanse regisseur Mamoru Oshii, is een grote titel. Bovendien moet alles praktisch haalbaar zijn, van de beschikbaarheid van de film tot de afspraken met de distributeur. Bij Colony viel alles mooi samen.”
Merken jullie dat steeds meer jongeren het festival ontdekken?
“Nee, absoluut niet. Dat vinden we jammer. We proberen studenten nochtans te bereiken. Gisteren organiseerden we bijvoorbeeld een gratis filmvertoning, specifiek gericht op studenten. Toch kwamen er vanuit die doelgroep maar een twintigtal mensen opdagen. De interesse blijkt voorlopig niet zo groot.”
Wat hopen jullie dat bezoekers meenemen na deze editie?
“Niets bijzonders. Ik wil vooral dat mensen zich amuseren en een paar goede films hebben gezien. Het mooiste is wanneer bezoekers een film ontdekken die hen bijblijft. Eentje die ze waarschijnlijk nooit meer ergens anders zullen tegenkomen. Niet in Kinepolis en niet in Lumière. Als bezoekers zo’n ervaring meenemen, dan ben ik tevreden.”




