Stel je voor. Je bent het machtigste instituut van de Europese middeleeuwen. Je controleert het religieuze leven, bewaakt de geletterdheid en beïnvloedt welke ideeën circuleren. Als grootste grondbezitter van het continent ben je bovendien één van de machtigste economische spelers van je tijd. Maar je invloed stopt daar niet. Je oefent druk uit op politieke conflicten, bemoeit je met interne kwesties van staten en hebt zelfs inspraak in wie gekroond wordt en wie niet. Deze macht lijkt vanzelfsprekend. Ze rust op een eeuwenoude belofte. Een document met een belofte die jouw politieke autoriteit legitimeert sinds de tijd van het Romeinse Rijk. Maar wat als dit document niets meer blijkt dan een leugen? Een leugen die op het punt staat aan het licht gebracht te worden door een gemotiveerde geleerde in het midden van een militair conflict.Dit is de situatie waarmee de Katholieke Kerk geconfronteerd werd in het midden van de 15e eeuw.
Het geschreven document waarop de kerk haar politieke macht liet rusten, heette de Donatio Constantini. Zoals de naam ook betekent, zou deze akte een geschenk geweest zijn van keizer Constantijn aan paus Sylvester I, nadat hij op miraculeuze wijze genezen zou zijn van lepra. Uit dank zou de keizer het pausdom belonen door de pontifex de macht over de stad Rome, het hele Italiaanse schiereiland en alle westelijke provincies van het Romeinse Rijk te schenken. Volgens de traditie vormde dit geschenk de basis voor de wereldlijke macht die de kerk bezat over de West-Europese staten.
In de 15e eeuw kwam die pauselijke aanspraak opnieuw centraal te staan op het Italiaanse schiereiland. In het koninkrijk Napels was er een machtsvacuüm dat geleid had tot een successieoorlog. Na talloze jaren van oorlog kwam Alfonso V van Aragón als winnaar uit de bus en kon hij de troon bestijgen. De paus had echter een ander kamp gesteund in de successieoorlog en gebruikte de Donatio Constantini, die als bewijsstuk van zijn macht over het Napolitaanse koninkrijk moest dienen, om Alfonso’s heerschappij te betwisten en zijn macht niet te legitimeren.
Om de pauselijke machtsaanspraken te kunnen counteren deed Alfonso beroep op Lorenzo Valla, een prominente geleerde in zijn dienst. Valla was een humanist en, zoals eigen aan deze beweging, hechtte hij groot belang aan de studie van het Latijn. Als filoloog ontleedde hij de tekst van de Donatio en concludeerde hij dat de akte een vervalsing was. In eerste instantie keek hij naar het taalgebruik. Als expert in Latijn en antieke teksten zag hij dat de tekst onmogelijk geschreven kon zijn ten tijde van het leven van keizer Constantijn. Die leefde in de vierde eeuw, maar Valla dateerde de tekst in de achtste eeuw. Dit deed hij door opvallende terminologie in de tekst aan te wijzen die niet courant was ten tijde van keizer Constantijn.
Maar het was niet enkel filologisch onderzoek dat het verschil maakte voor Valla. Door de Donatio te analyseren identificeerde hij ook chronologische problemen in verband met mythes en verhalen die pas eeuwen later courant waren en waarvan er in de vierde eeuw nog geen sprake was. Zowel in stijl als in inhoud kon dit volgens hem niet in de vierde eeuw geschreven zijn. Zijn bevindingen schreef hij neer in zijn manuscript De falso credita et ementita Constantini donatione in 1440. Daarmee verklaarde hij de Donatio Constantini als een vervalsing.
Valla’s werk viel niet in de smaak bij de katholieke kerk en, net zoals bij vele ophefmakers die hun naam waardig zijn uit die tijd, werd hij vier jaar na het publiceren van zijn verhandeling voor de inquisitie gesleept. In werkelijkheid ontsnapte hij aan zware straffen en werd hij niet opgesloten. Zijn goede band met zijn opdrachtgever koning Alfonso V beschermde hem tegen die gevolgen. Uiteraard werd de verspreiding van Valla’s werk door de kerk onderdrukt. Zijn kritische oeuvre kreeg later een plaats in de Index Librorum Prohibitorum, de katholieke lijst van verboden boeken.
Het werk werd pas later, in 1517, in de context van de Reformatie in druk uitgebracht en diende vervolgens als anti-katholieke propaganda binnen protestantse kringen. De katholieke kerk erkende de bevindingen pas eeuwen later maar niet in het openbaar. Met de opkomst van protestantse staten verloor de kerk geleidelijk aan politieke macht.
Het was dus niet per se zo dat Valla’s werk onmiddellijk een dramatisch effect had op het moment dat het verscheen. Er moet bovendien bij vermeld worden dat de Donatio Constantini en de legitimiteit ervan al eeuwen voor Valla in twijfel werden getrokken. Valla was echter wellicht de eerste die een formele en systematische kritiek schreef.
Hoewel de invloed van zijn werk in zijn eigen tijd eerder beperkt bleef en zijn kritiek pas later ruimer werd erkend, betekende zijn analyse een belangrijk keerpunt in de manier waarop teksten werden benaderd. Voor het eerst werd zo systematisch gekeken naar taal, context en historische consistentie om de echtheid van bronnen te beoordelen, een manier van denken die vandaag nog steeds aan de basis ligt van zowel geschiedschrijving als journalistiek onderzoek.
Net als hedendaagse onderzoeksjournalisten legde Valla, aan de hand van zijn werk, corruptie binnen de hoogste rangen van de samenleving bloot. In eerste instantie deed hij dit in opdracht van zijn heer en dus misschien niet bewust uit maatschappelijk belang. Wat hij wellicht niet besefte, was dat hij generaties onderzoekers, historici en journalisten voor de komende eeuwen zou inspireren om in zijn voetsporen te treden, of zij dat nu beseffen of niet. Allemaal zijn wij op de een of andere manier gemarkeerd door Valla.




