Ochtendschrijfsels

Ochtendschrijfsels

Mijn ogen volgen de woorden die ik in ijltempo op het fijne lijntjespapier neerpen. De tussen mijn rechtervingers geklemde balpen raast over regels die voorheen leken te wachten op Godot. Sierlijke letters vormen woorden die op hun beurt in langgerekte zinnen vervellen. Een tiental minuten geleden lag ik nog languit in bed te ronken. Nu staar ik naar het intuïtieve schouwspel dat zich voor mijn ogen ontvouwt op een halfleeg vodje papier. Langzaam maar zeker ruil ik het halfslapen in voor een zachte tranceachtige state of mind. Dat klinkt haast cliché, maar is het niet. Gedachtekronkels en mijmeringen vloeien uit mijn onderbewustzijn langs mijn schouders en door mijn rechterarm richting het blad. Ter hoogte van mijn hand ondergaan ze een gedaanteverwisseling en vleien ze zich als inkt neer op dunne lijntjes. Alsof een ondraaglijk gewicht van me af schuifelt, vloeit de krampachtigheid weg uit mijn schouderbladen. Eindelijk verwelkom ik de eerste pasjes van dat zalige gevoel de dag al schrijvend te beginnen.

Al jaren bezing ik dit dagelijkse ochtendritueel. Ik stootte er toevallig op in een interview met een Amerikaanse zelfhulpgoeroe. Haar boek kreeg ze niet aan me verkocht, maar van deze oefening krijg ik niet genoeg. De belofte dat elke ochtend drie pagina’s handmatig vullen met intuïtief gezwets mijn leven veranderen zou, geloofde ik graag. Sindsdien rep ik me telkens na het opstaan naar mijn schrijftafel. Daar lijken de woorden zich van mijn lichaam te ontvreemden in een spurt richting het trio papiervellen. In onsamenhangende en vaak vreemde bewoordingen ontvouwen zich nieuwe inzichten en ververste hoop. De pagina’s blijken na jaren een perfecte tool om mezelf moed in te spreken en tot actie aan te zetten. Het dagelijks schrijven doet me goed. Maandenlang stapelen de volgeschreven vodjes zich op in één van mijn bureauladen. Eenmaal per jaar verbrand ik ze op haast ceremoniële wijze in de haard van het ouderlijke nest.

De woordenspurt komt plots tot een halt. Het ronde inktpuntje waarop de balpen blijft rusten, luidt tegelijkertijd het einde van de krioelende zinnen en een korte adempauze in. Ik krijg niets meer op het papier gezet. Er zit niets anders op dan even van het voormalige schouwspel op te kijken en door het venster te turen. De voortuin gaat in ochtendlijke halfduister gehuld. Het prille zonlicht baant zich een weg langs metershoge bomen en struiken. Fijne zonnestraaltjes murwen zich tussen dikke boomstammen en dalen zachtjes neer op het donkere grastapijt. Ik voel mijn arm en hand zachtjesaan in beweging schieten. Voor ik het goed en wel besef, vergelijk ik het natuurtafereel al schrijvend met het werk van surrealistische grootmeesters. In mijn gedachten zie ik hoe een geschilderde straatlantaarn een duistere schemerzone verlicht terwijl de hemel in de verte helderblauw kleurt. De zachte radiostem rukt me weg van het ingebeelde schilderwerk. Het gepraat voelt vreemd tussen de klassieke melodieën die zopas nog de kamer vulden.

Met een wrang gevoel denk ik aan wat na het schrijven komen zal. Het samengaan van opzwepende hits en enthousiaste radiopresentatoren zal rond de ontbijttafel zwermen. Het lijkt wel of mijn verdwaasde gezinsleden niet in stilte kunnen noch willen leven. Alsof die opgave gepaard gaat met panische doodsangsten zetten ze meteen na het opstaan de drukke radiozender op. Het samengaan van lege popnummers, blitse reclameboodschappen en vage nieuwsflashes speelt steeds op de achtergrond. In de avond, na het eten, wordt die gedachteverstoring ingeruild voor nietszeggende televisieprogramma’s en -films. Dat eeuwige niet luisteren naar zichzelf werpt weinig vruchten af. Iedere ochtend word ik onthaald door broze en in stilzwijgen gehulde gezichten. Het voeren van echte en interessante gesprekken lijkt niet in hen op te komen. In het licht der mensheid en recente gebeurtenissen beperkt de gesprekstof zich tot banaliteiten en aardigheden. Toch ben ik blij dat ik voor even weer mijn oude kinderkamer mag bewonen.

Opnieuw dringt zich een halt op. De balpen rust even uit op een nieuw inktpuntje. Ik vraag me af waarom ik er maar niet over kan schrijven. Steeds wanneer ik in de buurt van het onvermijdelijke onderwerp kom, blijf ik eromheen cirkelen of valt mijn geschreven woordenstroom opeens stil. Ik krijg het niet over mijn lippen noch op de pagina’s gestort. De angst dat het nooit zal lukken overvalt me. Toch lezen mijn ogen hoe ik mezelf aanspoor daar vandaag verandering in te brengen. Ik moet wel als ik het item bespreekbaar wil maken bij mijn ouders en vrienden. Die laatsten stellen zich sinds enkele weken vragen bij de plotse terugkeer naar het ouderlijke nest. Angstvallig vraag ik me op het blad af of het me vandaag wel zal lukken. Ik hoop dat het antwoord op die vraag positief luidt. Dat zou een einde maken aan een lange en duistere periode. Ik voel dat mijn onderbewustzijn stilaan de zoveelste uitvlucht zoekt om het niet te doen. Het wordt dringend tijd dat het futiele gezwets plaats ruimt voor diepere zielenroerselen.

De verloren gewaande krampachtigheid doet mijn schouderbladen opnieuw aan. Ondertussen ben ik al schrijvend op het moment van de waarheidskeer aanbeland. Die zelfverklaarde zelfhulpgoeroe beschrijft dat cruciale moment als het punt waarop de intuïtieve stortvloed in een trance vervelt. Dat overkomt me vaker niet dan wel. Vandaag lijkt het me te lukken. Soms duurt zo’n moment niet langer dan luttele seconden. Op andere dagen kan ik het tot op de laatste regel vasthouden. Ik hoop dat ik deze waarheidskeer na afloop onder de laatste categorie kan klasseren. Ondertussen vraag ik me op het blad af wat voor baat ik geniet door het onderwerp steeds te vermijden. Op de volgende lijnen volgt een oplijsting van voor- en nadelen aan het in stand houden van dat uitstelgedrag. De woordenstroom besluit dat het beter is om dat gedrag eindelijk achter me te laten. Mijn wil om de situatie bespreekbaar te maken wint het voorlopig van mijn verkrampte schouders. De innerlijke strijd komt eindelijk tot rust.

Geruisloos en in trance schrijf ik over het voorval in de loop van gisterennamiddag. Toevallig ving ik toen een gesprek op tussen de buurvrouw en moeder. Het zachte zonlicht scheen mijn kamer in door het openstaande venster. De buurvrouw vertelde dat ze iets had opgevangen over een zware liefdesbreuk, een poging en een overdosis pillen. Ze wist het van haar dochter die het op haar beurt had gehoord van een vriend die werkte op de redactie. Het nieuwtje uit de stad moest haast wel dit saaie voorstedelijke gehucht bereiken. Dat duurde langer dan ik voor mogelijk hield. Moeder stond er stilletjes bij en wuifde de insinuaties weg alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Die kille reactie was me niet vreemd, maar voelde best verscheurend. Het hoofd en de façade hoog houden is mijn ouders niet bepaald vreemd. Naast de angst om met zichzelf in dialoog te treden beheerst de angst voor de ander en diens reactie hun stille leventjes. Vooral vader wil geen gezichtsverlies lijden in dit dromerige dorpje waar alles ogenschijnlijk goed lijkt te gaan.

Wat het verhaal van de buurvrouw betreft, zit de vriend van haar dochter op het juiste spoor. Alleen de pillen zijn een verzinsel dat het verhaal uit derde hand onopvallend binnensloop. De mislukte poging eindigde niet in een pillenroes, maar ging gepaard met een bot keukenmes. Dat mesje kerfde zich een weg langs mijn linkerarm. Het was inderdaad een gevolg van een pijnlijke liefdesbreuk die resulteerde in een lange depressie. Het was de eerste noch de laatste keer. De avond waarover de buurvrouw zonder enig voorbehoud en in uitbundige bewoordingen sprak, lag nu enkele weken achter me. De pijnlijke herinneringen had ik diep opgeborgen. Met het helen van de open wonden vlogen de laatste sporen stilaan uit mijn gedachten. Dat dacht ik toch. Tijdens het ochtendlijk schrijven had ik er met geen woord over gerept. Nu noteer ik dat ik me na het onbedoeld afluisteren niet langer kon blijven voorliegen. Mijn ogen volgen hoe het blad zich vult met een relaas over die avond en wat er aan voorafging. Haarfijn leg ik bloot wat er misliep en waartoe dat leidde. Het voelt goed dat ik alles eindelijk aan het papier toevertrouw.

Zoals het surrealistische kunstwerk haal ik het gebeuren voor mijn ziel. Ik zie mezelf weer huilend voor die vale spiegel staan. Zoals mijn rechterhand nu over de langgerekte regels schuift, raasde die toen in ijltempo langs mijn linker onderarm. De controle over het gebeuren ging volledig aan me voorbij. Ik moest en zou de innerlijke pijn uit mijn lichaam verjagen. Ik bedenk me hoe ik plotseling door mijn knieën zakte en neerviel op de koude tegelvloer. Het bebloede mes kaatste tegen een wand en landde naast de prullenmand. Op de plaats waar het in aanraking kwam met de muur bleef een minuscuul deukje achter. Een tijdje lag ik verstild op de harde vloer terwijl de tranen zich een weg uit mijn ogen vochten. Even later ging het licht aan. Alsof ik één van haar patiënten was, nam mijn huisgenote me in haar armen. Ze verzorgde de bloederige wonden en stopte me in bed. Ik lees hoe de balpen vaststelt dat ik geen vat krijg op wat er die avond door me heen stormde.

Van de avond gaat het naar de dag nadien. Die ochtend sloeg ik het schrijven bewust over. Ik noteer dat een zekere angst daarin meespeelt. Ik verleg de aandacht naar wat er in de plaats gebeurde. Mijn huisgenote was naar haar werk vertrokken. Op een briefje naast mijn bed stond dat ik maar beter wat tijd voor mezelf nam. Alsof er niets aan de hand was contacteerde ik de redactie. Mijn onafgewerkte opdrachten en ongeschreven stukken zette ik tijdelijk on hold. De redactiechef beloofde voorlopig andere freelancers in te schakelen. Daarop pakte ik alles op het zolderkamertje in en belde met moeder. Hoewel banaliteiten de gespreksstof vormden, nodigde ze me uit om een poosje huiswaarts te keren. Toen ze na het afscheid de telefoon had neergelegd, zakte ik neer tegen de deurpost. Ik barstte in tranen uit. In de late namiddag haalde ze me op. Terwijl moeder me richting de straten uit mijn jeugd voerde, nam ik afscheid van de stad.

Vader was mijn tijdelijke terugkeer minder genegen. Zijn verwelkoming verliep koel en allesbehalve hartelijk. Vlak na thuiskomst telefoneerde mijn huisgenote met moeder. Ze bracht haar op de hoogte van het voorval. Nadat moeder me er ’s avonds aan tafel over aansprak, fulmineerde vader dat ik hem dat niet kon of mocht aandoen. Het moest eens gedaan zijn met mijn melancholisch gedoe. Met één uithaal veegde hij het onderwerp voor goed van tafel. Ik lees hoe ik hem omschrijf als een norse man die overduidelijk gebukt gaat onder zijn zelfopgelegde dwang in alles perfectie uit te stralen. Een zoon die van de ene in de andere depressie sukkelt, past niet in zijn lijn der verwachtingen. Niemand weet wat er werkelijk in hem omgaat, zelfs hij weet dat niet. Zonder al die luide en nietszeggende stoorzenders in huis zou hij misschien op zijn eigen zielenroerselen botsen. Moeder heeft er vrede mee, maar soms knaagt het. Dat vertelt ze me wanneer we alleen zijn. Sinds mijn tienerjaren vind ik die hele situatie uiterst bedroevend. Ik twijfel of terugkeren wel zo’n goed idee was.

Dezelfde zachte radiostem maakt een einde aan de uitgesponnen waarheidskeer. Ik bedenk me hoe het transcendente schrijven samenviel met een krachtig pianospel. Dat muzikale hoogstandje schipperde zoals mijn leven tussen euforische pieken en diepe dalen. Moeder omschreef die afwisseling eens als wiegen tussen alles en niets. Opgelucht dat ik die weggeduwde situatie na lange tijd eindelijk aan het papier toevertrouwde, vul ik de laatste regels van de overgebleven bladzijde. Nu kan het echte helen beginnen. Alsof de zwaarste last me ontvalt, voelen mijn schouderbladen weer écht ontspannen. Dat gevoel herbergt een sprankeltje beterschap. Ooit zal ik opnieuw euforisch door het leven huppelen. Die belofte ligt besloten in de volgeschreven vodjes. Ik berg de drie pagina’s met  onverwachte waarheidskeer op in de bureaulade waar de schrijfsels van vervlogen ochtenden rusten. Ik kleed me aan en gooi de slaapkamerdeur achter me toe. Bij het afdalen van de trap waait de dagelijkse drukte me in poppy klanken tegemoet.

Zeen is a next generation WordPress theme. It’s powerful, beautifully designed and comes with everything you need to engage your visitors and increase conversions.

More Stories
“Het voelt als een uit de hand gelopen hobby”