De jongste jaren levert Club Brugge niet alleen toptalenten op het veld, maar ook opvallend veel trainers die doorstromen naar de top. Met Sébastien Pocognoli op weg naar AS Monaco en Rik De Mil in beeld bij Union om hem te vervangen, lijkt de Brugse formule opnieuw te werken.
Volgens ex-Clubwatcher Pieter-Jan Calcoen is dat geen toeval, maar het resultaat van een doordachte visie op trainersontwikkeling.
Welke signalen zijn opgevallen of ziet u bij trainers die later succesvoller waren in Club Brugge of daarbuiten?
“Club Brugge geeft in haar manifest aan dat ze heel gericht op zoek gaat naar trainers die gespecialiseerd zijn in een bepaald domein. Die coaches krijgen kansen om door te groeien binnen de club, vaak van de lagere jeugdploegen naar Club Next of zelfs het eerste elftal.
Op die manier kunnen jonge trainers zich stap voor stap ontwikkelen binnen hun expertise en uiteindelijk de vruchten plukken van hun ervaring. Namen zoals Rik De Mil, Robin Veldman en Carl Hoefkens zijn daar duidelijke voorbeelden van.”
En op welke manier helpt Club Brugge om dit te ontwikkelen?
“Club Brugge is een hyperprofessionele omgeving. Ik ben al een paar keer op het Basecamp geweest, en daar werken specialisten die elkaar versterken binnen hun vakgebied.
Die omgeving maakt het voor trainers makkelijker om stappen te zetten. Ze worden goed begeleid en ondersteund, altijd binnen een duidelijk kader en een herkenbare voetbalfilosofie: dominant, aanvallend voetbal.
Is de aanpak van het opleiden en begeleiden van trainers veranderd door de jaren heen of is dat altijd hetzelfde gebleven?
“Sowieso wordt er tegenwoordig veel meer datagericht gewerkt. De nieuwe generatie coaches is daar volledig in mee, en dat verklaart ook waarom vaak jongere trainers sneller doorbreken.
Bij internationale topclubs ligt de nadruk in elke laag van het voetbal enorm op data en analyse. Trainers opleiden, dat bestond 20 à 25 jaar geleden bij wijze van spreken bijna niet. Vandaag krijgt het veel meer aandacht zowel bij Club Brugge als bij andere topclubs en het is echt een fundamenteel onderdeel van hoe een club functioneert.”




