Er blijft een tekort aan plaatsen in het buitengewoon onderwijs. Kinderen die nood hebben aan buitengewoon onderwijs moeten naar het reguliere onderwijs. Hoe ervaren leerkrachten dit in het ‘gewone’ onderwijs? Peggy Van der Linden, kleuterleerkracht op Basisschool Mater Dei Centrum in Brasschaat, over hoe zij kinderen van het buitengewoon onderwijs opvangt.
“We proberen kinderen uit het buitengewoon onderwijs zo goed mogelijk op te vangen. Dit doen we door, in de mate van het mogelijke, de zorgleerkracht extra in te zetten voor de ondersteuning van deze kinderen of door hulp in te roepen van VOKAN. Wanneer de zorgleerkracht hier extra worden ingezet, gaat dat ten koste van onze andere kinderen, die af en toe ook extra ondersteuning nodig hebben.”
Wat is VOKAN?
Dit is een ondersteuningsnetwerk voor scholen in Voorkempen en Antwerpen-Noord. Het biedt ondersteuning aan leerlingen met extra noden en aan de leerkrachten.
Merk je bij jullie op school dat er een tekort aan plaatsen is in buitengewoon onderwijs?
“We hebben al enkele jaren kinderen op school die wachten op een plekje in het buitengewoon onderwijs. We vangen deze kinderen zo goed als we kunnen op maar dat heeft wel een impact op de rest van de klas én op de klasjuf.”
Op welke manier heeft dit impact?
“Doordat de klasjuf het kind met meer noden ook wil laten groeien, gaat ze hier zéker ook mee aan de slag. Vaak hebben deze kinderen meer individuele begeleiding nodig. Tijd die je besteedt aan één-op-één begeleiding gaat ten koste van de andere kinderen, want je hebt maar zoveel uren op een dag. Wanneer het gaat over kinderen met gedragsproblemen, moet de leerkracht vaak inspelen op specifieke situaties, zoals extreme woede-uitbarstingen, en kan je dus niet je andere geplande activiteiten doen. De draagkracht van de klasjuf wordt vaak op de proef gesteld. Door al die extra aandacht die je aan zo’n kind moet geven word je als juf na verloop van tijd ‘leeggezogen’.”
Waarom is het buitengewoon onderwijs zo noodzakelijk voor kinderen die dit nodig hebben?
”Kinderen die doorverwezen worden naar het buitengewoon onderwijs zijn kinderen met een extra zorgnood. Het zijn vaak kinderen die véél beter af zijn in een klein klasje, waar er specifieke begeleiding klaarstaat, naast de klasjuf, bijvoorbeeld logopedisten of kinesisten. Wanneer deze kinderen in een gewone klas zitten is er zeer weinig tijd of is er geen mogelijkheid om hen te geven wat ze nodig hebben. In een klas van 25 kleuters met één klasjuf heeft de juf niet de kans om individuele begeleiding te geven aan kinderen die dit nodig hebben, hoe graag we dat ook wel zouden willen doen.”
“Deze kinderen zitten niet op de juiste school waar er voor de juiste begeleiding gezorgd kan worden. Ze staan vaak stil in hun ontwikkeling. Het reguliere onderwijs gaat vaak te snel voor hen. Dit is misschien te chaotisch en bij ons ontbreekt er vaak de juiste knowhow om deze kinderen gericht te kunnen ondersteunen en helpen groeien.”
Wat kan de overheid volgens jou doen om dit probleem aan te pakken?
”Er moet meer plaats in het bijzonder onderwijs voorzien worden of ervoor zorgen dat het gewoon onderwijs hen wel kan opvangen. Het gewone onderwijs moet hervormd worden. We hebben kleinere klassen nodig en meer leerkrachten. Die leerkrachten zouden de juiste vakkennis moeten hebben om de kinderen goed te begeleiden. Het gaat vaak ook over specifieke zorgen die de kinderen nodig hebben. Ik had bijvoorbeeld een kind in de klas dat motorisch beperkt was en dat niet kon werken aan een platte tafel. Eigenlijk had dit kind een schuine tafel nodig, maar die heb ik nooit gekregen omdat er geen budget voor was.”
Zijn er landen waar er geen bijzonder onderwijs is?
“In Noorwegen zitten er nauwelijks nog leerlingen in het bijzonder onderwijs. Daar zitten deze kinderen wél gewoon mee in het standaard onderwijs. Dit is een mooi voorbeeld van hoe het wél kan werken.”




